• BDUmedia

Baarnse Literatuurprijs: 6. Helt Lajos

BAARN Tijdens het Cultureel Festival Baarn op 1 september worden de Baarnse Literatuurprijs en de Baarnsche Courant publieksprijs uitgereikt. Afgelopen weken stonden de twaalf genomineerde verhalen in de Baarnsche Courant. Dit is één van de nominaties:

Helt Lajos

Uiterst langzaam verscheen de bus om de hoek, alsof de chauffeur alles uit dat moment wilde halen wat erin zat. Nog geen minuut geleden was er op het kerkplein een enorm gekwebbel, kinderen vlogen heen en weer, mensen wisselden adressen uit en er heerste een opgewonden stemming. Maar nu…doodse stilte. Midden op het plein stopte de bus. Door de raampjes zag ik wat vage vormen, wat kindergezichtjes, bleek en vreemd. De deur voorin de bus ging open.

Op de treeplank verscheen een mevrouw met een papier in haar hand. Het was een donkerblauwe, deftige mevrouw. Ze begon met harde stem  te lezen : ‘Familie van Hees: Horvat Andris.’ Vanuit de menigte kwamen een man en een vrouw en vanuit de bus een kind. Een bangelijk, doodmoe kind. De familie van Hees pakte het koffertje van het kind, gaven het kind een knuffel en verdwenen van het plein.

Zo ging het met alle kinderen. Sommigen huilden, soms gingen er twee kinderen met één familie mee. Toen werd onze naam geroepen: ‘Familie de Bruin : Helt Lajos’. Mijn ouders,  mijn broer en ik gingen naar voren. Uit de bus kwam een jongetje. Blote voeten in hoge schoenen, een korte broek en een rafelige trui. Hij stond op de trap en keek kalm naar beneden.  Zwart haar en bruine ogen, net zo oud als mijn broer, negen jaar, langer en dunner én, dat zagen we meteen, stukken brutaler. Lajos heette hij, maar voor ons was zijn achternaam het symbool van wat hij werd voor ons. Held! Hij zei iets onbegrijpelijks voor ons, en lachte.  Mijn moeder sloeg haar armen om hem heen en gaf hem een zoen op zijn wang.

Het was 1949. Door het IKB, stichting Interkerkelijk Bureau (Kindertransporten) werden dat jaar duizenden kinderen op transport gezet naar België, Nederland en Zwitserland. De kinderen kwamen uit Oostenrijk, Frankrijk, Hongarije en Duitsland. Alle kinderen waren rondom de tweede Wereldoorlog geboren en leefden onder erbarmelijke omstandigheden in hun thuisland. Geen werk, geen eten, geen kleding. Het was de bedoeling dat ze een fijne vakantie zouden hebben, aansterken en veel liefde zouden ontvangen. Sommigen bleven negen maanden, anderen zes of drie maanden. Lajos bleef zes maanden.

Van de stichting kregen we een flinterdun boekje waarin een handleiding stond voor mensen die een Hongaars pleegkind hadden. Onder algemene opmerkingen stond dat Hongaarse kinderen niet gewend waren met twee woorden te spreken.  En wanneer het kind zegt : ’Kezét csókolom’, het een beleefde groet is, niet dat het kind om chocola vraagt. Verder stond het Onze Vader erin en het Hongaarse Volkslied. Veel woorden als: gemeente, prediken, Calvinisme. Het boekje werd al snel in de la gestopt.

Die eerste avond aten we boterhammen. Mijn moeder schonk een glas melk voor haar nieuwe zoon in. Hij keek ernaar en zonder een woord te zeggen, dronk hij achter elkaar het glas leeg. ‘Nou, nou, wat een dorst,’ dacht mijn moeder en schonk een tweede glas in. Ook dat werd zwijgend naar binnen geklokt . ‘Genoeg is genoeg dacht mijn moeder,  geen derde glas melk.’ Achteraf begreep ze dat Lajos alle dingen die hij vreselijk vond snel afhandelde. Melk vond hij het allersmerigste op de hele wereld.

Lajos kon het van meet af aan goed vinden met mijn broer, samen voetbalden ze uren op straat. Binnen de kortste keren sprak hij Nederlands, niet dankzij het boekje, maar omdat het een slim jongetje was. Hij ging mee naar school, er is nog een foto waarbij hij tussen mijn broer en mij in zit op een schoolbankje. Lachend, keurig aangekleed, haartjes netjes kort geknipt, alleen aan die ogen kon niemand iets doen. Die stonden vrolijk en brutaal.
Een mevrouw in de straat had zich nogal eens geërgerd aan de ballen die af en toe in haar tuin terecht kwamen. Ze had toen in woede een bal achter gehouden, die ze niet terug wilde geven. Lajos vond, dat die mevrouw gestraft moest worden. Hij belde aan, stelde zich verdekt op en toen de deur openging gooide onze held een verse paardenvijg de gang in.  Wij vonden het geweldig. Mijn vader iets minder; er werd gebromd en Lajos deed alsof hij spijt had.
Soms, ’s nachts, huilde hij. Dan sloop mijn moeder naar zijn kamertje en troostte hem. Geen mens die er ’s morgens nog over sprak.

Helt Lajos ging naar huis. Opgewonden en blij, voorzien van twee koffers volgepropt met kleding , koffie,  thee, suiker en cadeaus voor de familie en foto’s van ons.
Lajos zelf liep trots en blij rond, op zijn nieuwe schoenen, tegen alle kinderen snaterend in het Hongaars.
Toen ging het allemaal snel. De bus kwam, de namen werden afgeroepen, er werd gekust en geknuffeld.
Mijn moeder riep: ‘Tot volgend jaar’ en Lajos ging het trapje op in de bus.
Hij draaide zich nog om en keek naar mijn moeder. Op dat moment zag ik opeens geen held meer, maar een klein, bang en intens verdrietig jongetje.

In het jaar daarop, 1950, werden door de Russen de grenzen gesloten en mocht niemand Hongarije meer uit.
Ook geen kleine helden.